>
Het basispatroon dat je gekozen hebt, heeft vele andere patronen nodig om een levende omgeving te worden.
Een werkgemeenschep werkt het beste als er meerdere andere bedrijfjes rond een klein pleintje gevestigd zijn.
Een klein pleintje (61) heeft weer andere patronen nodig om goed te kunnen functioneren, zoals een café met terras, binnenhoven, een trap om op te zitten, enz. Een trap om op te zitten zou gemaakt moeten zijn van zelfgebakken klei, zodat het verweerd en een indruk geeft van de voeten die er zijn gepasseerd.
Enkele elementen die nodig zijn voor een Werkgemeenschap heb ik hieronder in schetsjes verbeeld.


Maak het plein veel kleiner dan u eerst in gedachten had, meestal niet meer dan 15 tot 20 meter breed, nooit meer dan 25 meter. Dit geldt alleen voor de breedte, voor de kortste maat. In de lengte mag het langer zijn.
We kunnen dit duidelijk inzien als we een cirkel tekenen om de ruimte voor te stellen en we een deel van zijn omtrek zwart maken om de geschulpte rand aan te geven. Trek nu koorden die verschillende punten langs de verdikte rand met elkaar verbinden. Naarmate de lengte van de aangezette omtrek groter wordt, neemt het door deze koorden bedekte gebied drastisch toe. Dit laat zien hoe snel het leven op het plein zal toe- of afnemen als de lengte van de geschulpte rand toe- of afneemt. Om de hele ruimte levendig te maken moet de geschulpte rand de hele ruimte omgeven.

Naarmate de activiteiten in de rand uitgroeien wordt de ruimte levendiger.

Daarom:
Verhoog de rand van ruimten waar mensen samenkomen op punten waar er een trap naar beneden komt of er een verloop in hoogte is, met enkele treden. Maak deze verhoogde gebieden rechtstreeks vanuit het plein toegankelijk zodat de mensen er samen kunnen komen en er kunnen gaan zitten kijken naar wat passeert.
Maak de treden uit hout of van natuur- of baksteen zodat ze met de tijd verslijten en ze een indruk geven van de voeten die er zijn gepasseerd.
Probeer klei te gebruiken uit uw onmiddellijke omgeving, vorm de tegels en stenen zoveel mogelijk met de hand en bak ze bij lage temperatuur en indien toegestaan in een open houtgestookte oven. Ga hiervoor te rade bij een plaatselijke pottenbakkersclub of haal een handboek in de bibliotheek.

Daarom:
Gebruik zacht gebakken stenen en tegels die in de loop van de jaren verslijten en sporen van gebruik gaan vertonen. Maak ze zoveel mogelijk zelf, van plaatselijke klei, met de hand gevormd, gebakken in een open vuur tot ze rood zijn en zorg dat ze zacht genoeg blijven om met de tijd te slijten.
Teksten komen uit Een Patroontaal van Christopher Alexander
